doDisplay('div-gpt-ad-MarieClaireNL_below_menu_allpages');

In vertrouwen: 'Mijn zusje is een zwerver'

“Haar woorden kwamen keihard binnen. Ik wist: ik ben hier medeschuldig aan”
doDisplay('div-gpt-ad-MarieClaireNL_below_image_article');
In vertrouwen: 'Mijn zusje is een zwerver'

Marie (33): "Afgelopen zomer was ik met mijn vriend in Berlijn. We sliepen in een prachtig hotel direct aan de Spree. De dj speelde ‘Bach meets Bowie’, het water kabbelde op de achtergrond. Heel romantisch. Tijdens onze tweede avond zouden we wat gaan eten met mijn zusje, die sinds een paar maanden in Berlijn woonde. Om bij haar te komen, moesten we via een brug de rivier over. Een nogal geliefde spot, zo bleek. Iedere hoek stond vol met toeristen die met hun selfiestick in de aanslag de meest creatieve kiekjes probeerden te maken van zichzelf met de Fernsehturm. Maar na een paar meter veranderde het publiek opeens. Op kartonnen platen op de grond zaten van die hippie-achtige types. Te drinken, stoned te wezen. De drank- en plaslucht die van ze af kwam was intens. Net toen ik mijn hoofd wilde wegdraaien, viel mijn oog op het laveloze lichaam van een jonge vrouw. Haar voetzolen waren pikzwart van het vuil, haar blonde haren zaten vol met klitten. Het was mijn zusje Stéfanie.

doDisplay('div-gpt-ad-MarieClaireNL_in-content_top_article');

Lees ook: In vertrouwen: 'Mijn grote liefde liet me achter met €48.000 schuld 

Rebels
Stéfanie en ik komen uit een echte advocatenfamilie. Onze overgrootvader, onze opa, onze vader en moeder: ze werken allemaal binnen het recht. Natuurlijk hoorde daar een bepaalde levensstandaard bij. Als ik als kind iets graag wilde, dan kreeg ik het gewoon. En toen ik tijdens mijn studie een semester naar Oxford wilde, was dat geen enkel probleem. Ik weet dat het niet charmant is om te zeggen, maar ik heb me altijd thuis gevoeld in die welgestelde wereld. Voor Steef is dat nooit het geval geweest. Ik weet nog dat we een keer gingen eten bij vrienden van onze ouders. Ik was een jaar of veertien, Stéfanie tien. Toen de kaviaar op tafel kwam, gooide Steef haar hoofd in haar nek en begon ze het zoutvaatje leeg te gieten in haar mond. ‘Wat doe jij nou?’ riep mijn moeder verschrikt, waarop Steef heel droog antwoordde: ‘Dat smaakt net zo en is veel minder duur.’ Typisch Steef. Toen ze een jaar of twaalf, dertien was, vroeg mijn moeder haar de huishoudster te betalen. Ze had twee uur gewerkt en verdiende iets van twintig gulden per uur, maar Steef gaf haar 800 gulden: ‘Papa verdient 400 gulden per uur, dus waarom zou Ana dan minder krijgen? Dat is toch niet eerlijk?’ 

Naar Berlijn
Een hechte zussenband hebben Stéfanie en ik nooit gehad. De verschillen waren gewoon te groot. Zat ik op de bank een modetijdschrift te lezen, dan zat zij ernaast met Karl Marx. Iedere poging tot een gesprek over schoenen of politiek, liep uit op een veroordeling van de ander. Maar toen Steef een paar jaar na mij op kamers ging in Amsterdam, groeiden we langzaam wat meer naar elkaar toe. Los van onze familie, leken onze levens opeens veel meer op elkaar. We worstelden met dezelfde dingen en belden elkaar regelmatig voor advies: ‘Marie, hoe krijg ik mijn steak medium?’ of ‘Steef, ik heb een gat geboord, waarom valt mijn spijker eruit?’ Dat de ander het antwoord vaak ook niet wist, resulteerde regelmatig in de slappe lach. Daar stonden we dan met onze theoretische artikel-zus-paragraaf-zo-ouders. Toen ik na mijn studie een goede baan aangeboden kreeg bij een groot pr-bureau, kreeg ik het erg druk. Steef ontdekte in die periode het Amsterdamse nachtleven en vond nieuwe vrienden – vrienden die veel dronken, blowden en regelmatig coke gebruikten, maar ze verzekerde me dat zij daar niet aan meedeed. Achteraf gezien denk ik niet dat ik dat echt geloofde. Ik was vooral te veel met mezelf en mijn carrière bezig om constant aan haar te denken. We zagen elkaar steeds minder en toen Steef na het afronden van haar studie aankondigde naar Berlijn te verhuizen, dacht ik: tof, weer een adresje erbij.

Onder de brug
Zo’n zes maanden nadat Steef was verhuisd, werd ik gebeld door een vriendin die ook in Berlijn woont. Ze had Stéfanie gezien in de metro, zei ze. Behoorlijk dronken en met twee ongure types. ‘Ach welnee, ik heb haar laatst nog gesproken,’ stelde ik mijn vriendin gerust, ‘en toen klonk ze best opgewekt.’ Maar zodra ik ophing, drong het tot me door dat dat alweer een paar maanden geleden was. En dat ik me het grootste deel van dat gesprek niet eens meer kon herinneren omdat ik op een telefoontje van een potentiële klant aan het wachten was. Ik heb Steef meteen die avond geprobeerd te bereiken, maar kreeg keer op keer haar voicemail. Een week later was dat nog steeds zo. Ik begon me officieel zorgen te maken. Samen met mijn vriend heb ik toen een paar dagen Berlijn geboekt.

Ik sprak Steefs voicemail voor de zoveelste keer in en zei dat ik haar heel graag wilde zien, of ze ons alsjeblieft wilde treffen. Vlak voor ons vertrek sms’te ze, eindelijk: ‘MarietjE, zusje!! Meet me zatrdagavon bj de Oberbaumbrücke, k?’ Rommelig en vol met spelfouten, niks voor Steef. Dat het echt niet goed met haar ging, begon dus langzaam tot me door te dringen. Maar niks had me kunnen voorbereiden op hoe we haar die zaterdagavond aantroffen op die brug. Het is moeilijk uit te leggen hoe dat voelde, maar het is denk ik het best te vergelijken met een verschrikkelijke jetlag: drie rondjes rond de wereld vliegen, 50 uur niet slapen en dan, plof, weer op aarde worden gedropt. In een soort trance liep ik die avond naar Steef. Ik pakte haar schouders vast en begon haar zachtjes heen en weer te schudden. ‘Marie, hoooi’, zei ze, toen ze wakker werd, overduidelijk knetterdronken. Ik probeerde haar op te tillen, maar een van haar vriendjes begon kwaad naar me te zwaaien met een lege wodkafles. Mijn vriend greep me bij mijn arm en trok me weg van de groep, van de brug. Hij belde toen meteen de politie, maar kreeg te horen dat ze niks voor ons konden betekenen: ‘Pas als de kans op bevriezing bestaat, mogen we in actie komen. Het is 24 graden, meneer.’ En dat was dat. Ik heb ontzettend staan huilen.

Stel je niet aan, Steef
Na een slapeloze nacht ben ik de volgende ochtend heel vroeg richting de brug gelopen. Steef was wakker en speelde met een straathond. De blik in haar ogen toen ze me zag, vergeet ik nooit meer. Zo kwaad, zo verwijtend. ‘Wat doe je hier, Marie?’ was het eerste wat ze zei toen ik dichterbij kwam. ‘Had je soms een gaatje vrij in je overvolle agenda?’ Elke poging tot een gesprek liep uit op een stroom aan verwijten. Ik zou alleen maar om geld geven en me te goed voor haar voelen. Zonder mij was ze beter af, zei ze, want door mij voelde ze zich waardeloos. Haar woorden, in combinatie met haar ongelooflijk verdrietige staat van zijn, kwamen keihard binnen. Ik wist: ik ben hier medeschuldig aan. Vroeger, toen ze heel klein was, kroop ze ’s avonds vaak bij me in bed. Dan zei ze: ‘Marie, ik ben zo verdrietig.’ ‘Stel je niet aan Steef,’ zei ik dan, ‘voor watjes is deze wereld te klein.’ Natuurlijk was ik mijn ouders aan het na-papegaaien, maar wie zegt zoiets nou tegen een klein kind? Achteraf gezien vormden mijn ouders en ik een soort front, vaak tegen haar. ‘Je wilt naar het hbo? Maar Marie zit op de universiteit…’ Of: ‘Heb je je haren nu alweer afgeknipt? Waarom neem je geen mooie knot, net als Marie?’ Geen wonder dat Steef zich tegen ons begon af te zetten. Het lieve, gevoelige en creatieve meisje dat ze in de kern altijd is geweest hebben we gewoon nooit écht willen zien."

Nietszeggende kunst
Stéfanie vertelde me die ochtend op de brug dat ze alleen op straat slaapt als het lekker weer is. Is dat niet het geval, dan slaapt ze bij vrienden. Vrienden die mij bedreigden met wodkaflessen, dus een geruststelling is dat niet. Op al mijn andere vragen – Heb je werk? Hoe betaal je je eten? – gaf ze hetzelfde antwoord: ‘Wat maakt jou dat nou uit?’ Er is te veel gebeurd om binnen een ochtend tot haar door te kunnen dringen. Op weg naar huis heb ik daarom besloten zelf voor onbepaalde tijd naar Berlijn te verhuizen. Als ik er nu niet voor mijn zusje ben, komt dit niet meer goed. Ik wil haar helpen haar leven op de rit te krijgen. Op háár rit, niet op de mijne, want ik begin eindelijk te begrijpen dat ik misschien wel meer van haar kan leren dan zij van mij. Op papier heb ik alles perfect voor elkaar, maar mijn leven voelt steeds vaker als een jas die niet goed past. Mijn trendy Amsterdamse appartement hangt vol met dure kunst die me om eerlijk te zijn weinig zegt. En mijn vrienden, die zijn meer bezig met het najagen van de hottest tables in town dan met de verjaardag van hun oma of eigen kind. Voor het eerst begrijp ik een klein beetje waarom Stéfanie de keuzes maakt die ze maakt. Ik wil haar niet meer betuttelen of veroordelen, ik wil haar gelijke zijn. Gewoon, haar grote zus, die heel veel van haar houdt en oprecht het beste wil voor haar.”

Meer van dit soort verhalen? Je leest ze iedere maand in Marie Claire.

Tekst: Manon de Heus | Beeld: iStock

doDisplay('div-gpt-ad-MarieClaireNL_in-content_bottom_article');